Voedingsexpert wars van diëten
op 23 mei 2011 door lise witteman in interview
Jaap Seidell concludeerde halverwege carrière dat oplossing overgewicht volgt uit samenwerking met voedingsindustrie.
Zelf neemt hij altijd de trap naar zijn kantoor op de vijfde verdieping van de Vrije Universiteit (VU). En inmiddels volgt de hele afdeling zijn voorbeeld, óók de niet voedingsdeskundigen. ‘Het is aantrekkelijker dan op die lift te wachten die eens in het kwartier komt’, legt Jaap Seidell (53) uit. ‘Vrienden uit Amerika hebben in een bedrijf eens de liften héél langzaam laten lopen, terwijl ze tegelijkertijd de trappen hadden gerenoveerd met kunst en al. Dan nemen mensen de trap.’
Voedingsspecialist Seidell is dol op dit soort experimenten. Zo telde hij ook eens alle yoghurtsoorten in een Amerikaanse supermarkt: ‘Meer dan 300, dan kan je toch geen keuze maken!’ Want van één ding is hij overtuigd. Zolang de omgeving niet wordt aangepast, vallen mensen niet uit zichzelf af. Hij is benieuwd of de landelijke nota gezondheidsbeleid, die waarschijnlijk deze week verschijnt, zijn visie onderschrijft.
Toch hoorde ook Seidell ooit tot de deskundigen die prediken dat mensen vanzelf afvallen, als ze maar ‘gewoon’ minder eten. ‘Ik was twintig jaar geleden zelfs de grootste vijand van dikke mensen. Volgens de belangenorganisatie voor patiënten met obesitas, was ik persoonlijk verantwoordelijk voor de negatieve beeldvorming over hun achterban: dikke mensen zorgen voor meer ziekte verzuim, zijn minder aantrekkelijk en hebben allerlei problemen.’
Ze hadden gelijk, besefte Seidell zich. ‘Ik sprak alleen over de nadelen en niet over de oplossing. Dan vererger je de kwestie slechts.’
Tijdens een bezoek aan de Albert Heijn vlakbij de VU, laat Seidell het dus wel uit zijn hoofd om mensen aan te spreken op de inhoud van hun mandje. ‘Dan zou ik helemaal een akelige man worden.’ Des te meer commentaar heeft hij op de schappen. Met het pootje van zijn bril tikt hij tegen de ingrediëntenlijst van een pakje vruchtensap. ‘Kijk, daar zitten meer calorieën in dan in cola.’ Om te illustreren dat je het ook niet voor het fruit hoeft te drinken, spreidt hij zijn duim en wijsvinger amper een centimeter uit elkaar. ‘Zóveel vruchten zitten hier nou daadwerkelijk in.’
Seidells fascinatie voor overgewicht werd gewekt tijdens een stage in Engeland, waar hij een groepsbijeenkomst van mensen met obesitas bijzat. In zijn boek ‘Tegenwicht’, dat afgelopen maand uitkwam, omschrijft hij die ervaring. ‘De jeugdige arts en graatmagere psycholoog gaven de aanwezigen louter tips over hoe je minder kon eten, inclusief calorietabellen. Het deed me beseffen dat de gezondheidszorg deze patiënten niet veel te bieden had.’
Seidell geeft eerlijk toe dat hem zelf een ‘rare mengeling van afkeer en compassie’ overviel bij het aangezicht van de groep. ‘Er bestonden toen ook niet zoveel dikke mensen. Niet zó dik. Nu kun je naar Disneyland gaan en dan zie je ze gewoon in de rij staan.’
Of hij nog steeds met dezelfde blik naar dikke mensen kijkt? ‘Néé, néé, natuurlijk niet. Ik heb me er sindsdien in verdiept en begrijp nu dat om meer gaat dan alleen wilskracht. Ik zie ze eigenlijk als gewone mensen, maar dan met een handicap. Die handicap is zelfs meer sociaal en psychologisch dan fysiek, omdat de samenleving hen zo negatief beoordeelt.’
Grofweg de eerste helft van zijn carrière trachtte Seidell dikke mensen te leren hoe ze gezond kunnen eten en bewegen. Maar tot zijn verbazing leverde het allemaal niets op. Seidell: ‘In de jaren ’90 rekruteerden we heel veel dikke mensen voor een afvalpoging waarbij ze begeleid werden door de beste psychologen, diëtisten en fysiotherapeuten. Ze vielen uitstekend af en bloeiden daardoor helemaal op. Ze kochten nieuwe kleren en een paar van hen ruilde zelfs de partner in voor een betere. Het was één groot feest. Ik dacht echt: nu hebben we iets gepresteerd.’
Volgens het onderzoeksprotocol kwamen de afvallers een jaar later weer bij elkaar voor een herweging. Seidell: ‘Het was het meest miserabele stelletje mensen wat ik ooit heb gezien. Ze waren nog zwaarder dan bij aanvang van het onderzoek. Er was niets over van die uitstraling en die leuke kleren.’
Uit de gesprekken die hij voerde, bleek dat iedereen was gezwicht voor verleidingen uit de omgeving: feestjes, vakantie, een etentje. Seidell: ‘Even komt in je op: slappelingen, we hebben alles gedaan en dan zwicht je voor de verjaardag van je oma. Maar ik reisde ook veel en zag hoe in Peking, waar eerst iedereen fietste en eten kocht bij groentekraampjes, het straatbeeld twintig jaar later beheerst werd door auto’s, grote supermarkten en fastfoodrestaurants: de coca-colonisation. En al die Chinezen dijden uit. Dat was niet omdat ze in twintig jaar minder wilskracht hadden en meer verjaardagen, maar gewoon, omdat de omgeving een dikmaker was geworden.’
Seidell werkte toen voor de Wereld Gezondheid Organisatie. Daarmee richtte hij zijn pijlen op de voedingsmiddelenindustrie. Ze brachten ‘boude’ rapporten uit waarin stond dat de wereldproblematiek van ziekten als diabetes en obesitas ook te wijten is aan omgevingsfactoren en intense marketing van ongezonde producten.
De voedingsmiddelenbedrijven waren furieus en vochten iedere stelling aan. Seidell: ‘De kentering kwam in 2006 toen investeringsbank JP Morgan een advies uitbracht aan beleggers wereldwijd. Daarin stond dat de discussie een verloren strijd was en ze adviseerden het volgende: “Links is een rijtje van bedrijven waar je wél in moet investeren, omdat die in hun portfolio veel gezondheidsaspecten hebben. En rechts een rijtje bedrijven dat je moet mijden met maar een dun portfolio van slechts suikerhoudende en vetrijke producten.”
Dat rapport zorgde ervoor dat de CEO’s van voedingsmiddelenbedrijven even keken of ze in het linker- of in het rechterrijtje stonden. En als ze in het rechterrijtje stonden werd er een spoedvergadering belegd met hun marketing, zo van: “Jongens, wat moeten we nu doen? Dit gaat ons geld kosten.” De industrie realiseerde zich ineens dat ze niet een onderdeel moeten zijn van het probleem, maar van de oplossing.’
Toch is er nog een lange weg te gaan, erkent Seidell, terwijl hij langs de schappen in de supermarkt loopt. Hij vist een pak light-chips uit het rek en waarschuwt voor de misleidende bijklank. ‘Hier zitten amper minder calorieën in dan in gewone chips, maar het light-label geeft het signaal dat je er meer van mag eten.’
De voedingsmiddelenindustrie wint altijd, is dan ook Seidells conclusie. Zijn houding ten opzichte van de industrie dubbel. ‘Ik wil de voedingsmiddelenbedrijven niet tot vijand maken. Zij kunnen juist veel verbeteren.’
Seidell richt zich daarom nu, ‘na het grote wereld verbeteren’, op regionale projecten om Nederland stapsgewijs gezonder te krijgen. Hij zet zich in voor de verkoop van water in frisdrankautomaten, gezonde keuzelabels, gesprekken met mensen in lokale koffiehuizen, een parkeerverbod voor scholen en voorlichtende supermarktrondleidingen. De resultaten houden hem optimistisch. ‘In de Utrechtse wijk Overvecht is het overgewicht in vijf jaar tijd gedaald van 27% naar 20%. Gewoon, door dit soort simpele dingen.’
Reageren?
Plaats een reactie